Beresjoet/Genesis 32:4:36-43
Haftara/Profetenstuk: Ovadja 1:1-21
Vlucht
Spaans benauwd is Ja’akov. Twintig jaar eerder is hij gevlucht voor zijn tweelingbroer Esav. Ja’akov had Esav zowel zijn eerstgeboorterecht als de speciale zegen voor de oudste ontfutseld. Esav wilde daarop Ja’akov vermoorden. Er zat niets anders op dan te vluchten. Naar Laban, de broer van zijn moeder Rivka. Ja’akov heeft het bij Laban moeilijk en ziet zich genoodzaakt van Laban en zijn zonen weg te vluchten, terug naar huis.
Meute mensen, meute dieren
Om die terugkomst voor te bereiden stuurt Ja’akov een bericht aan Esav dat hij eraan komt. Als hij hoort dat Esav tegemoet komt met een gevolg van vierhonderd man, breekt Ja’akov het angstzweet uit. Hoe zijn tweelingbroer gunstig te stemmen? Hij stuurt maar liefst 550 dieren als gift: 200 geiten en 20 geitenbokken, 200 ooien en 20 rammen, 30 kamelen met hun kalveren, 40 koeien en 10 stieren, 20 ezelinnen en 10 ezels (Beresjiet 32:15, 16).
Steeds in hun eigen kudden en steeds met een eigen vee-menner. Die krijgen allemaal de opdracht mee om de dieren als gift aan Esav aan te bieden op de meest respectvolle wijze, én hem mee te delen dat Ja’akov erachter aan komt.
Toch niet zijn zegen?!
De gift is volledig ‘over the top’, hetgeen een commentator (naam helaas vergeten) ertoe bracht te veronderstellen dat Ja’akov daarmee, indirect, toegeeft (aan Esav) dat de zegen voor de oudste daadwerkelijk aan Esav gegeven had moeten worden, en niet aan hemzelf. Hij zegt er ook mee: ook zonder die zegen had ik het waarschijnlijk wel gered, en dan was ons beider leven totaal anders gelopen.
De overhand
Hoe het zij, de strijd die Ja’akov voorafgaand aan de ontmoeting met Esav voert, met een ‘iesj’, een man, staat altijd in het middelpunt van de belangstelling. Evenals de naamsverandering: Ja’akov wordt Jisraëel, want zo zegt degene met wie hij strijdt, „ki sarita im-Elohiem we’im anasjiem watoechal”. Want je hebt gevochten met ‘Elohiem’, wat ‘God’ (enkelvoud), maar ook ‘goddelijke wezens’ (meervoud) kan betekenen, en met ‘anasjiem’, mannen (meervoud), en je hebt de overhand gekregen. (Beresjiet 32:29)
Esav’s vreugde
Maar over Esav wil Ja’akov helemaal niet de overhand krijgen, integendeel, bij de ontmoeting gaat hij eerst maar liefst zeven keer plat voor zijn broer, als om het te bewijzen hoe nederig en respectvol hij wil zijn. Pas daarna holt Esav op hem af, sluit hem in zijn armen, en kust zijn tweelingbroer. Ze huilen. Jawel, allebei.
Gods aangezicht…!
Sterker nog, als Esav de gift van Ja’akov niet wil aannemen, zegt Ja’akov: „O nee, als ik echt genade heb gevonden in jouw ogen, zul je mijn broodgift uit mijn hand aannemen.” Wat geeft hij als reden: „Want het zien van jouw aangezicht was als het zien van Gods aangezicht, en jij welbehagen hebt in mij” Beresjiet/Genesis 33:11.
Teleurstelling
Esav accepteert de gift en stelt voor samen verder te reizen. Maar nee, Ja’akov houdt afstand en wil pas later nakomen. Zegt hij, want dat komt er niet van. Opnieuw stelt Ja’akov Esav teleur, op een hele indirecte manier. Het is de vraag of Esav zich dat meteen realiseert.
Ieder een eigen zegen
Dit verhaal is een prachtige onderstreping van het tiende van de Tien Woorden: „Niet begeren zul je het huis van je naaste, niet begeren zul je de vouw van je naaste, zijn dienaar, zijn dienstmaagd, zijn os, zijn ezel, ja, al wat van je naaste is! (Beresjiet/Genesis 20:17). Ja’akov wilde hebben wat Esav zou gaan krijgen. Zie wat een ellende er door is ontstaan. Zoals het altijd gaat. Wat de Eeuwige jou toebedenkt, is wat echt voor jou is. Wat niet betekent dat je geen ellende, ziekte, verlies, dood, armoede, oplichting etc. zult meemaken, want die kunnen nodig zijn, zeggen de joodse wijzen, om jouw hart te openen, zodat je barmhartig, meelevend, behulpzaam wordt. De Eeuwige geeft wat je nodig hebt om een Mensch te worden. Iedereen krijgt zijn zegen, ook al is die niet altijd meteen herkenbaar als zegen (vaak ziet hij er zelfs uit als vloek).