Beresjiet / Genesis 45:15 – 7:27
Haftara: Jechezkel /Ezechiël 37:15-28
ONBEKENDE NAMEN
Met zeventig familieleden ging Ja’akov naar Egypte. Hij en Joseef worden bij die zeventig geteld. Afgezien van de zonen, worden ook twee vrouwelijke verwanten genoemd: Dina en Serach, maar over hen later. Er worden 59 kleinkinderen van Ja’akov met naam genoemd. Iets minder dan de helft hebben namen die nog steeds in omloop zijn: Chanoch, Ohad, Sja’oel, Gersjon, Elon, Areli. De rest is totaal vergeten; niemand noemt zijn kind zijn hun namen. Sommige van die namen hebben prachtige betekenissen: Palloe – opmerkelijk; Tsochar – sterk; Chamoel – Hij die God ziet; Jimna – Hij die beschermd zal worden. Maar wat te denken van Tola – worm; of Sjoeni – de gehatene. En inderdaad, geen ouder haalt het in zijn hoofd om in sidra Wajigasj te kijken en zijn zoon Moepiem of Choeppiem te noemen.
SLANG
Het is wonderlijk dat sommige kinderen van de stamvaders en kleinkinderen van Ja’akov wel in de naamsgeschiedenis van het joodse volk te vinden zijn, en anderen totaal verdwenen. Afgezien van Joseef en zijn nazaten en Benjamin en diens nazaten, zijn ze allemaal in Babylonische ballingschap weggevoerd, dus dat kan de verklaring niet zijn. Trouwens Moepiem en Choepiem zijn zonen van Benjamin. Moepiem en betekent onder andere ‘slang’, ‘golven’ en ‘bedekkingen’, en Choeppiem ‘beschermd’ en ‘bedekt’.
ZONDVLOED
De hele lijst van nazaten valt helemaal weg door het verhaal van Joseef die zich aan zijn broers bekend maakt. Een zondvloed aan tranen wordt geplengd in het weerzien en die zondvloed spoelt al het aangedane leed onder het Egyptische zand. Het waanzinnig emotionele tekst over de hereniging gaat uiteraard vooraf aan de komst van Ja’akov naar Egypte met die lijst van wonderlijke namen.
SERACH
Van die zeventig die uiteindelijk worden geteld zijn Dina en Serach de enige twee vrouwen. Dat kán natuurlijk helemaal niet. Het bestaat niet dat de twaalf (!) zonen van Ja’akov alleen maar jongens hebben voortgebracht; waar zijn hun meisjes gebleven? (Ik heb geen zin of de midrasj of Rashi of Ramban erop na te slaan, want ik voel op mijn klompen aan dat ze een voor mij onbevredigende oplossing geven voor dit raadsel). Er moet meer kleindochters zijn geweest. Dat kan niet anders. Maar waarom is het dan zo dat er maar één van Ja’akovs kleindochters meeging naar Egypte? Serach, een dochter van Asjer? Onlangs is zij naar voren gehaald en de hoofdpersoon geworden in een verhaal van José de Kwaadsteniet, onze magidah. Het is gepubliceerd in The Rooster Princess, een uitgave van studenten van de magidah-cursus die José volgde.
INZICHT IN EIGEN LOT
Helemaal geen raadsel is Joseefs geruststelling van zijn broers. Niet zij hebben hem tot slaaf gemaakt door hem aan Egypte te verkopen, maar de Eeuwige. „Welnu weest niet bedroefd en laat het in jullie ogen branden dat jullie mij hierheen hebt verkocht, want tot levensbehoud heeft God mij voor jullie uit gezonden.” (Beresjiet 45:5; Naardense Bijbel). Joseef zegt feitelijk dat zijn broers slechts werktuigen waren in de kolenschoppen van de Eeuwige. En waarom? Om mens en dier in Egypte en de wijde omgeving van hongerdood te redden „van de aarde”, zegt Joseef zelfs. In Cruyffiaanse bewoordingen: ‘Elk nadeel heb z’n voordeel’. Maar let op, alleen Joseef mag dat over zijn eigen leven en levenslot zeggen. Niemand buiten degene die een hard lot ondergaat mag zeggen dat het lijden van die mens toch ergens goed voor is.
VADER VOOR FARAO
Die opstelling, die acceptatie van wat hem is aangedaan, dat inzicht heeft menigeen van het joodse volk behoed voor de val van het slachtofferschap. Gehaat worden is vreselijk. Gediscrimineerd worden is vreselijk. Vervolgd worden is vreselijk. Slaaf zijn is vreselijk, al was de institutie die in Tenach als vanzelfsprekend wordt beschouwd waarschijnlijk juist bedoeld om mensen die ondraaglijke schulden hadden opgelopen, te helpen die in zes jaar af te bouwen en weer een vrij mens te worden. Maar dat in deze tijd verdedigen is als spugen in een pan soep. En toch, Joseef was slaaf, én hij was ook nog jarenlang een zeer beklagenswaardige gevangene. Die Joseef, die door de hel is gegaan, is niet bitter geworden, maar omarmt zijn broers bijna als schuldlozen. Daarna laat hij zijn vader komen. Die hoeft niet van verdriet met witte haren naar Sjeol – de plek van de doden te gaan. Maar neemt zijn zonen, zijn dochter, zijn kleinzonen en een kleindochter mee naar het Land van Benauwenis, Egypte. Met een kudde van honger scharminkelige schapen en geiten. De vader ziet zijn zoon terug, die zelf als een vader voor Farao is geworden (Beresjiet 45:8).