Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:3
Haftara/Profetenstuk: Hosea 12:13 – 14:10
Toekomst en verleden
In de eerste zin van deze sidra worden verleden en toekomst van het joodse volk bij elkaar gebracht. „Wajétsé Ja’akov miBe’er Sjéwa wajélech Charana.” Ja’akov trok weg uit Beersjewa en ging naar Charan. Die twee werkwoorden ‘trek weg’ en ‘ga’ zijn sleutelbegrippen in de geschiedenis van de Bné Jisraël, de nakomelingen van Ja’akov. (Ja’akov krijgt overigens pas veel later in de geschiedenis van deze familie zijn nieuwe naam Jisraël).
Gaan en Wegtrekken
Abraham krijgt van de Eeuwige de opdracht: ‘Lech lecha’: ga, oftwel trek weg. Hij moet alles achterlaten: zijn ouderlijk huis, de plek waar ij is geboren en het land waar hij op dat moment is. De Bné Jisrael krijgen van de Eeuwige, via Mosjé, de opdracht miTsrajiem achter te laten. Normaliter wordt Mitsrajiem als één woord gespeld, als naam voor ‘Egypte’, maar voor deze keer spel ik het op dezelfde manier als miBe’er Sjéwa: ze moeten mi: weg van Tsrajiem: de benauwenis (van ‘tsar’ – nauw). De term voor de Uittocht uit Egypte, na eeuwen van slavernij, is Jetsiat Mitsrajiem.
Wildernis
Het joodse volk trekt van de ene plek naar de andere. Van de vertrouwde plek, Oer, die spiritueel welzijn en veiligheid meer biedt, geen perspectief – zoals toen Awraham uit Oer moest vertrekken – naar een plek waar een nieuw bestaan moet worden opgebouwd. Of van een gehate plek, Mitsrajiem, waar slecht onderdrukking en wanhoop heerst, naar een weliswaar onzeker bestaan maar wel een hoopvol bestaan – zoals het joodse volk toen het Egypte achterliet en de wildernis introk op weg naar het Beloofde Land. (Wat weliswaar een land van „melk en honing” was, maar ook een land van hongersnoden en oorlog). Wegtrekken van de plek waarmee men vertrouwd is, is voor velen in deze tijd niet meer een academische kwestie.
Poort naar de hemel
Er is ook iets goeds aan zo’n trekkend bestaan: je kunt op zeer bijzondere plekken terecht komen, zoals Ja’akov merkte. Hij koos voor het slapengaan een steen om onder zijn hoofd te leggen, en droomde. Op een ladder gingen engelen van de aarde naar de hemel en van de hemel naar de aarde. En de Eeuwige stond naast hem. Toen hij wakker was geworden, concludeerde hij dat hij in de poort naar de hemel had liggen slapen. Dat overkomt ons ook, maar weten we dat ook? Of schuiven we die droombeelden als ‘onzin’ terzijde en gaan onze tanden poetsen?
Droom en wordt wijzer
ascinerend is dat Ja’akov de slaapsteen rechtop zet en hem met olie overgiet. Het is een inwijding van de matsewa (normaliter een term die wij gebruiken voor een grafzerk). Vreemd. Toch?! Hogepriesters en priesters worden op die manier ingewijd: klaargemaakt voor de rituele handelingen, later, als er een Tempel is. Dat geldt ook voor Tempelvoorwerpen. Ik heb me er altijd het hoofd over gebroken waarom er met olie wordt gewijd. In een omgeving waar de zon de huid uitdroogt, is olie waarschijnlijk heerlijk op de huid. En hoewel wij beslist niet van vet haar houden, is het waarschijnlijk heerlijk als die door zand en wind en stof uitgedroogde haren lekker vet worden gemaakt met olie. Maar een steen? Heel oude ideeën lokaliseren goden in stenen. Zou Ja’akov de aanwezigheid van de Eeuwige naast hem toeschrijven aan de steen waarop hij zijn hoofd neerlegde? En zou het, als dit een verklaring is, kunnen zijn dat de olie een soort voedseloffer is aan de Eeuwige?