Beresjiet/Genesis 47:38 – 50:26
Haftara: I Koningen 2:1-12
Vreemde vrouwen
Eerst een knieval. In het commentaar over Wajigasj maakte ik een fout. Ik schreef dat het zo vreemd was dat dochters en kleindochters van Ja’akov ontbreken bij de groep van 70 die met hem naar Egypte afreizen. Alleen Dina en Serach worden genoemd. Het kwam mij voor dat er helemaal geen andere dochters en kleindochters waren. Met als conclusie (maar die stond niet in dat commentaar) dat Ja’akovs mannelijke nazaten in Mitsrajiem allemaal buiten het stamverband van Ja’akov moesten zijn getrouwd. Dat laatste is waarschijnlijk toch wel gebeurd, want anders zou de familie van Ja’akov uiteindelijk wel erg veel inteelt hebben.
Toch dochters
Maar dat er geen dochters en kleindochters waren, klopt niet. Alleen ze blijven naamloos. Beresjiet/Genesis 46:5: (…) en de zonen van Israël vervoerden Ja’akov, hun vader, en hun kleine kinderen en hun vrouwen in de wagens, die Fara’o gezonden had, om hem te vervoeren.” Twee psoekiem (verzen) verder, Beresjiet 46:7, gaat het over het kroost dat Ja’akov meebracht: „Zijn zonen en de zonen van zijn zonen met zich, zijn dochters en de dochters van zijn zonen (…).” Vervolgens krijgen al die zonen en kleinzonen een naam, maar de dochters en kleindochters dus niet. Een omissie met grote maatschappelijke gevolgen die pas sinds de vorige eeuw vol in de schijnwerpers is komen te staan.
Sterfscene
Hoe het zij, in de sidra van deze week, Wajechi, ‘Hij leefde’, wordt verteld dat Ja’akov zeventien jaar in Mitsjariem leefde, en toen stierf. De sterfscene staat in mijn geheugen gebrand, omdat hij zo onwaarschijnlijk beeldend is. Eerst gaat deze aartsvader rechtop in bed zitten, zegt dan iets over/tegen elk van zijn zonen, trekt zijn benen binnenboord en sterft. Waarom mag joost weten, maar voor mij hebben die lichamelijke acties iets komisch.
Laatste woorden
Wat Ja’akov tegen, of over, zijn zonen zegt, zijn geen zegenspreuken. Het zijn karakterbeschrijvingen (sommige tamelijk duister), voorspellingen (ook daarvan zijn sommige tamelijk duister), verwijten voor enkelen, en zelfs vervloekingen voor weer andere zonen. De vraag is wat die zonen ermee aan moeten. Heeft Ja’akov, die zijn hele leven lang zijn twee zonen bij Rachel heeft voorgetrokken, in zijn laatste momenten niets beters in petto voor die andere tien? Ik vind het armzalig. (‘Benima, Benima, niet zo judgemental’).
Parentificatie
Ooit, toen ik in het kader van mijn universitaire studie Hebreeuws deze tekst moest vertalen, barstte ik in huilen uit. Wat had mijn vader tegen mij gezegd op zijn sterfbed? Had hij mij gezegend, of op zijn minst een troostend woord meegegeven? Of een woord van liefde (hij hield echt van mij)? Niks van dat alles. Ik kreeg een karakterisering van mijn moeder: „Ze is hoog intelligent; intelligenter dan wij allemaal”. Dat had ik graag tientallen jaren eerder gehoord in plaats van de eindeloze stroom kritische opmerkingen over haar. En, ik kreeg opdrachten waar ik mijn hele verdere leven mee zoet zou zijn. Geen opdrachten ten behoeve van mijn leven, maar ten behoeve van haar. De parentificatie, zoals dat in psychotherapeutische termen heet, kreeg er een fikse slag bij.
Dysfunctioneel
Helaas, zoals in Ja’akovs familie, gaat het in vele families. Het is een van de (vele) redenen waardoor bijna alle families dysfunctioneel zijn. Misschien in deze tijd nog wel vaker dan vroeger toen familie zes tot zestien kinderen hadden, waarvan er ook nog een paar als baby, peuter of tiener stierven door ziekte of hongerdood. Alhoewel, Ja’akov had twaalf zonen en ten minste één dochter, Dina, en nog een onbekend aantal andere dochters. Misschien maakt de grootte van een kerngezin niets uit.
Begrafenisreis
Ja’akov sterft dus. Wat bijna nooit aandacht krijgt in commentaren is de begrafenisreis van Egypte naar Chevron (Hebron), toen nog Kena’an, later (en nu) Judea. Joseef laat Ja’akov balsemen, wat veertig dagen duurt, en de Egyptenaren „beweenden” Ja’akov „zeventig dagen”. Ook al zoiets wonderlijks. Hoe het zij, na deze lange periode brengt Joseef hem (dat heeft hij Ja’akov beloofd) naar de Grot van de Machpela. Daar liggen zijn grootouders Awraham en Sara en ouders Jitschak en Rivka begraven. Ook Lea, zijn andere vrouw, krijgt daar een plek.
500 Kilometer
De afstand van het Egyptische gebied Goshen, waar de Bné Jisrael wonen, tot Chevron is tussen de 430 en 480 kilometer. Bijna geheel door woestijn en wildernis. Het kost tussen de tien dagen en drie weken om van de ene plek bij de andere te komen. Als alleen Joseef en zijn broers die begrafenistocht zouden hebben gemaakt, zou het nog te begrijpen zijn. De heersende Farao laat Joseef gaan. Maar luister wie er allemaal met hem meetrokken: „Toen trok Joseef op om zijn vader te begraven; en met hem trokken op alle dienaren van Farao, de oudsten van zijn huis en alle oudsten van het land Egypte. En het hele huis van Joseef en zijn broers en het huis van zijn vader; slechts hun kinderen en hun kleinvee en hun rundvee lieten zij achter in het land Goshen. En met hem trokken op zowel wagens als ruiters, en het leger was zeer groot.” Een onvoorstelbaar grote groep. Mannen én vrouwen. En heel veel hooggeplaatsten en hooggeëerden.
Sjiwwe bij de Jordaan
En dat is nog niet alles. Zodra zij bij „Goren-Ha’atad, aan de overzijde van de Jordaan” waren aangekomen, stopten ze daar om zeven dagen te rouwen. Dus nog voordat Ja’akov was begraven. Wat een verhaal! Ja’akov sterft, Joseef begraaft hem in Chevron en Egypte is bijna twee maanden zonder regeringsleiding en overheid, want alle hoge Egyptenaren maken de heen- en terugreis naar Kena’an.
Geen wonder dat de Egyptenaren, ondanks de eeuwenlange slavernij die zij de nakomelingen van Ja’akov lieten ondergaan, in de joodse traditie nooit een slechte naam hebben gekregen. Eenmaal bevrijd van de slavernij mochten we niet naar Mitsrajiem/Egypte terug. Maar negatief zijn over de Egyptenaren was er niet bij. Wellicht was dat de achtergrond dat het huidige Israel zijn eerste vredesakkoord met Egypte sloot. Maar dat is voor een ander commentaar.