Sjemot/Exodus 31:1 – 40:38
Haftara / Profetenstuk: Jechezkel 45:16–46:18
Catalogi
De Toragedeelten van deze week, Wajakheel en Pekoedé (dit jaar samen gelezen) hebben veel weg van een catalogus van Wehkamp, Bauhaus, Hornbach, Praxis of Ikea. Maar dan zonder de briljante (Ikea!) voorschriften voor het in elkaar zetten van de kisten, tafels, lampen, gereedschappen, palen, voetstukken, sluithaken, gordijnen, voorhangen, kleding, orakelplaten enzovoorts. Je verdwaalt tussen de voorwerpen die moeten worden gemaakt voor het Tabernakel. Dat gebeurt me bij mijn favoriete klussenwinkel (op het ogenblik in Nederland het klantvriendelijk, want behulpzame Karwei) nooit.
Antiquairs
De eindeloze opsomming van voorwerpen, soms met hun maten, doet me verlangen naar een speciale aflevering van het televisieprogramma ‘Van Onschatbare Waarde’. Daarin worden bijzonder voorwerpen aangeboden aan vier antiquairs. Erfgenamen, verzamelaars of knutselaars onderhandelen over de prijs die ze willen hebben voor de stukken die ze mee hebben gebracht. Ze beginnen vaak ver boven het geld dat de antiquairs er voor over zullen hebben, en zakken af en toe onder het minimum dat ze in gedachten hebben, met voorbijgaan aan hun motto: ‘Als ik er minder voor krijg, neem ik het weer mee naar huis.’ Ik zou die voorwerpen, die in de Oudheid werkelijk hebben bestaan, willen zien, zoals het bijzondere porcelein, de met ivoor ingelegde juwelenkastjes, de brommer uit de vijftiger jaren, de jukebox, en de beroemde, maar waardeloos zittende stoel.
Tabernakel-voorwerpen
Wat zou ik graag al die spullen voor het Tabernakel aangeboden zien aan de tv-experts. De altaren, de potten en kandelaars, de lampen, de vleesvorken, het waterbekken en de gordijnen, het borstschild van Aharon. Voorwerpen van acaciahout, linnen, koper, zilver, goud, gekleurde draden van geitenhaar, wol, vellen van dolfijnen. Soms ook bedekt met goud, zoals de ‘aron’, de kist waarin de Twee Stenen Tafelen een plek krijgen. Met daarbovenop de cheroebiem – een soort engelen met enorme vleugels.
Gelukkig verdwenen
Maar het is er allemaal niet meer. Helaas. Of misschien maar goed ook. Je moet je toch niet voorstellen tot wat voor gekte bewaard gebleven Tabernakel-voorwerpen zouden hebben geleid; tot wat voor fraude en bedrog; tot wat voor hebzucht en jaloezie; tot wat voor moord en doodslag ook. Een mensenleven zou minder waard zijn dan een voorwerp uit het Misjkan, het Tabernakel.
Twee namen
Van de makers worden er slechts twee bij naam genoemd. Betsalel is de ontwerper, Oholiav zijn assistent. Zij zijn door de Eeuwige begiftigd met inzicht hoe alles eruit moet zien en hoe alles moet worden gemaakt. Zij hebben geen bouw-instructies nodig, zelfs niet getekend in het zand. De andere makers, en dat moeten er toch honderden zijn geweest, verdwijnen naamloos in de geschiedenis. Hoe heetten de mannen die de vuren voor het smeden hebben gestookt, de smeden zelf, de houthakkers en de timmermannen, de puttengravers voor het water dat nodig was, de schuurders en de schavers, de sjouwers en de touwslagers, de leerlooiers en de kleermakers? We weten het niet.
De Zen van het emmertje met sop
Van de vrouwen wordt helemaal niemand bij naam genoemd. Terwijl zij zich toch onledig houden met wat ik al jaren ‘de Zen van het emmertje met sop’ noem. Hoeveel goeds kun je niet doen met een emmertje met sop: vuil weghalen en reinheid brengen, en daarmee een omgeving creëren waarin het goed toeven is. Met een emmertje met sop kun je ziekten voorkomen (of zelfs bestrijden) en de schoonheid van voorwerpen weer tevoorschijn toveren. Een emmertje met sop kost niks, het enige dat nodig is, is een persoon met een paar handen en tijd en de wil om te poetsen.
Spintol
Onder ‘de Zen van het emmertje met sop’ valt ook breien en weven. Slechts twee stokjes heb je nodig om een trui of vest of sokken te breiden: voorwerpen van liefde en aandacht, die warmte, bescherming, schoonheid en gemak bieden. Meer dan twee stokjes zijn niet nodig om een deken te fabriceren die de slaap aangenaam maakt, de kou weghoudt en zelfs gezelligheid en knusheid geeft. Voor het Tabernakel weven de vrouwen stoffen. Ze doen dat met een spintol: een stokje met een loshangend gewicht eraan (het spinnenwiel werd pas in de Middeleeuwen uitgevonden).
Vlas
De dames spinnen wol van de schapen, haar van de geiten en vlas. Van vlas wordt linnen gemaakt en het heeft slechts drie tot vier maanden nodig om te groeien, vanaf het zaaien tot het oogsten. Genoeg tijd dus om te produceren voor de geweefde stoffen die nodig zijn voor het Tabernakel. Want dat wordt gebouwd in de twaalfde maand na de Uittocht uit Egypte. De vrouwen zijn zo bedreven in het weven dat ze patronen met cheroebiem kunnen maken in de stof voor de gordijnen en voorhangen en andere bekledingen.
Beschutting
Het is naamloze arbeid: alles wat valt onder de Zen van het emmertje met sop. Maar daarom niet minder essentieel. Een houten stakelsel alleen, met al zijn koperen hulpstukken, is geen ruimte voor rituelen. Een naakte man zonder kleren kan zijn priesterfunctie niet vervullen, zelfs niet als hij Aharon heet. In een ‘gebouw’ zonder gordijnen, voorhangen, dekkleden kan ook de Eeuwige niet ‘wonen’. De naamloze mannen en vrouwen maken het allemaal mogelijk.