Sjemot / Exodus 6:2 – 9:35
Haftara: Jechezkel / Ezechiël 28:25 – 29:21
Krachtmeting
Er zijn bibliotheken volgeschreven over de krachtmeting tussen de Eeuwige en de Farao, die ter sprake komt in de sidrot Wa’era (deze week) en Bo (volgende week). Een krachtmeting tussen twee Goden, de ene ‘onze’ God en de ander een heerser die door zijn volk en door zichzelf als god werd beschouwd. Was de Farao meer dan een pion in het dodelijke spel dat de Eeuwige speelde? Steeds weer opnieuw zegt de Eeuwige dat Hij wil laten zien waartoe Hij in staat is. Hij zegt het niet alleen tegen Mosje en Aharon, maar laat het ook zeggen tegen de Farao zelf. De Eeuwige wil de Bné Jisraël, de nakomelingen van Ja’akov/Israël bevrijden uit de onderdrukking die zij in Mitsrajiem, Egypte, ervaren. Van de Tien Plagen die Hij daartoe inzet, komen er zeven in Wa’era aan de orde: bloed, kikvorsen, luizen of steekvliegen, wilde dieren, pest, zweren en hagel. De laatste drie: sprinkhanen, duisternis en de dood van de eerstgeborenen worden volgende week over de Egyptenaren uitgestort.
Pion
De Farao een pion? In hoeverre kan de Farao de Bné Jisraël laten gaan? Weg uit de Egypte, minstens drie dagen gaans de wildernis in? Om daar hun schapen, geiten en rundvee te offeren aan de Eeuwige (een praktijk die de Egyptenaren met afschuw aanzagen, want in sommige delen van Egypte werden deze dieren vereerd als toebehorend aan Egyptische goden). De Eeuwige verhardt het hart van de Farao. In de oudheid was het hart wat voor ons het brein is: de plek waar gedachten worden gevormd.
Tirannieke gedachten
Dus, de Farao verstart in zijn gedachten. Hij raakt onontkoombaar verstrikt in zijn eigen opvattingen. Waartoe mensen die volledig in de ban zijn van opvattingen in staat zijn, kan men zien aan de ajatollah’s en mullah’ en hun moorddadige helpers in Iran nu. Voor geen gruweldaad schrikken zij terug. Zo ook de Farao. Al het water in Egypte wordt veranderd in bloed. Er is geen water in Teheran; de situatie is zo ernstig dat het regime een paar maanden geleden heeft overwogen de stad te evacueren. Maar een eigen volk dat aan het verdorsten is, kan het hart van de Farao toen, en de ajatollah’s en mullahs’ nu niet vermurwen. Het is maar één voorbeeld. De moorddadige ‘revolutionaire gardes’ zou je als de plaag van de wilde beesten kunnen zien. Ze verscheuren alles en iedereen. En de ‘dood van de eerstgeborenen’ maakt de islamitische tirannen ook niet uit. Ze zijn bereid miljoenen Iraniërs op te offeren.
Opmerkelijk bijbelvers
Genoeg over de actualiteit en de eventuele analogieën met toen. Ook in deze sidra staat weer een er-overheen-lees-zin: Sjemot/Exodus 7:1: „Wajomer Y-H-W-H el-Mosjé, re’eh netatiecha Elohiem l’Far’o weAharon achicha jehiejé nevie’echa’.” „De Eeuwige zei tegen Mosjé: Zie, Ik zal je opstellen tegenover Far’o [als] Godheid / God en jouw broer Aharon zal jouw profeet zijn.”
‘Als’ een god
Bijna alle commentatoren en vertalers gebruiken het ‘als’, dat ik hier tussen haken heb gezet, om aan te geven dat Mosjé ‘in de rol van’ God wordt geplaatst. Zij benadrukken dat Mosjé geen godheid is, maar dat hij in de ogen van de Farao ‘als een godheid’ is. Mosjé spreekt ‘als God’, is hun interpretatie, en Aharon, zijn broer, moet net als hijzelf, de woorden van de Eeuwige vertalen zodat de Fara’o ze kan begrijpen.
Waarom niet ‘ke’?
De commentatoren en vertalers worden door mij zeer bewonderd. Maar ik heb toch een vraag bij deze in wezen onvertaalbare zin. Waarom is in de Tora-tekst niet het woordje ‘ke’ gebruikt voorafgaand aan ‘Elohiem’, dus ‘netaticha ke’Elohiem’, ik stel jou op ‘als godheid’.” Dat zou voor de hand hebben gelegen, aangezien ‘ke’ om ‘als’ aan te geven om de haverklap voorkomt in Tanach. Heeft de Eeuwige met deze uitspraak misschien iets anders bedoeld? Zou het zo kunnen zijn dat Mosjé zodanig van de goddelijkheid vervuld was, dat er een identiteit tussen de Eeuwige en Mosjé bestond op het moment dat Mosjé voor de Farao optreden? Zodat hij ‘uit zichzelf’, samen met Aharon, de plagen kon bewerkstelligen? Oh help, dat is wel een erg ‘on-joodse’ gedachte.
Grootste profeet
In het Jigdal, het lied waarin Maimonides (1135 – 1204) de geloofsbeginselen van het Jodendom verwoord (waartegen, overigens, andere grote geleerden een eeuw lang vochten omdat zij van mening waren dat het Jodendom geen credo’s kent), heet het: „In Israel stond nooit een profeet op als Mosjé”. Profeet, geen ‘elohiem’, godheid. Maar dat staat er wel in Sjemot 7:1: ‘elohiem’, voor Mosjé, en ‘navi’, profeet, voor Aharon. (Zijpad: Aharon wordt bij mijn weten niet als profeet gezien in de joodse traditie. Hij is de Hogepriester, maar profeet?!).
Zoon van Farao
Let wel, Mosjé groeide op aan het hof van de Farao. Het waren bekenden van elkaar. Dat feit wordt zelden benadrukt. De ‘zoon’ die tegenover de Farao staat, is opeens een ‘godheid’ – qua macht een gelijkwaardige van de Farao. Voor de Farao én voor Mosjé moet dat een hallucinerende werkelijkheid zijn geweest.
Verdwijnen
Het blijft een mysterie waarom de krachtmeting tussen de Eeuwige en de Farao überhaupt plaats moest vinden, wat de Eeuwige er ook over zegt. En het blijft een mysterie wat ‘Elohiem’ in deze sidra te betekenen heeft. Wat zegt dit woord over Mosjé? Wat zegt dit woord over het zelfbeeld van de. Eeuwige zelf? Wat mij betreft wordt Mosjé een nog ongrijpbaarder figuur dan hij al was. Hij verdwijnt als het ware als de goddelijkheid. De man die bijna verdronk, uit het water werd gevist door een Egyptische prinses, opgroeide als een Egyptenaar, een Egyptenaar doodsloeg, vluchtte, trouwde, kinderen kreeg, moeilijk sprak verdwijnt in de rol die hem wordt opgedragen. Wat mij betreft is Sjemot 7:1 een van de meest raadselachtige pesoekim (bijbelverzen) in de Tora.