Beresjiet / Genesis 41:1 – 44:17
Haftara / Profetenstuk: I Koningen 3:15 – 4:1
Tot slaaf gemaakt
Joseef, de oudste van de twee zonen van Ja’akov bij Rachel, is in Egypte terecht gekomen. Zijn broers hebben hem in een ‘bor’ gegooid, een gegraven put, en hem tot slaaf gemaakt door hem aan de Jismaëlieten en/of de Midjanieten te verkopen (de volksaanduidingen worden beiden gebruikt) (Beresjiet 37:36). Voor twintig zilverlingen.
Levenslot
Joseef maakt daarna een ongelooflijke Werdegang door: van slaaf tot opzichter van de huishouding van Potifar (hoofd van de Egyptisce RVD), van gevangene tot dromenuitlegger, van verworpene tot onderkoning. Hij trouwt in die hoedanigheid Asnath, de dochter van Poti-fera (niet identiek aan de eerdere Potifar) en krijgt twee zonen. De oudste noemt hij Manasse: ‘De Eeuwige heeft mij volledig mijn ellende doen vergeten en alles van mijn vader’s huis”. Een naam met een innerlijke tegenspraak: Joseef zou alles vergeten zijn, maar hij weet wel wat hij is vergeten: zijn ellende en alle herinneringen aan zijn familie.
Maar hij mag zijn vader en broers dan zijn vergeten, op het moment dat tien van zijn broers voor hem staan (Benjamin is thuis bij Ja’akov) herkent hij ze onmiddellijk.
Ongekeerd is dat niet zo: zijn broers hebben geen flauw vermoeden wie de onderkoning is. Ze zijn door hongersnood naar Egypte (Mitsrajiem – het Land van Benauwenis) gedreven. Het ‘land overvloeiende van melk en honing’, zoals het later wordt beschreven, is ook bij tijd en wijlen een land waar men kan creperen door gebrek aan voedsel. En dat gebeurt verschillende keren in de tijd van de aartsvaders en -moeders.
Zegelring
Joseef is onderkoning geworden omdat hij twee dromen van de Farao kon uitleggen: er zouden zeven jaren van overvloed aanbreken, gevolgd door zeven jaren van hongersnood. Zó tevreden was de koning van Egypte dat hij Joseef de macht gaf over alles en iedereen in het land, ge-effectueerd doordat hij hem zijn zegelring gaf. Zonder dat hij ook maar de antecedenten van Joseef liet nagaan, of liet uitzoeken of hij wel de vaardigheden voor die hoogste functie had. Het is een echo van wat Jehoeda, een broer van Joseef, deed met Tamar. Als onderpand voor de betaling voor de bijslaap met Tamar, gaf Jehoeda aan een vrouw van lichte zeden (hij wist niet dat de vrouw die zich voor prostituee uitgaf zijn schoondochter was) zijn staf, gordel en zegelring.
Karma
Bij de confrontatie met zijn broers, beschuldigt Joseef hen ervan spionnen te zijn. Tot drie keer toe. Ook in onze tijd is de beschuldiging spion te zijn vaak de opmaat voor marteling en dood. Wellicht zijn de meesten van de tien broers de misdaad tegen Joseef ook vergeten, of hebben ze hem naar een hoekje van hun bewustzijn verbannen. Maar daar in de aanwezigheid van de opperste machtshebber, moeten zijn wel denken dat hun misdaad nu vergolden gaat worden: door de Eeuwige zelf (want de onderkoning is nog niet weer de herkenbare oseef op dat moment). Karma, zouden we tegenwoordig zeggen (beïnvloed door het alomtegenwoordige Boeddhisme). De broers zijn ziek van ellende, ze weten zich geen raad. Zeker als de onderkoning eist dat ze naar huis gaan om Benjamin op te halen. Als onderpand zet hij Sjim’on gevangen.
Verspieders
Mij is de episode over de spionnenbeschuldiging in alle voorgaande jaren ontgaan. Maar het moet haast wel zo zijn dat juist dat verhaal door de nakomelingen van Re’oeven, Sjim’on, Levi, Jehoeda, Dan, Naftali, Gad, Asjer, Issachar, Zewoeloen, Joseef zelf en Benjamin jaar in jaar uit, eeuw na eeuw is verteld. Hoe zouden ze anders op het idee zijn gekomen om het Land van Belofte te laten verkennen. Na de Jetsiat Mitsrajiem, de Uittocht uit Egypte, bedenken de Bné Jisrael het plan om eerst het land waar ze naar toe gaan, te laten verkennen voordat ze er een stap in zetten. Ze sturen verkenners, spionnen dus. Het gevolg is dramatisch. Twaalf verkenners, spionnen, verspieders – een uit elke stam – struinen Kenaän af, en tien komen met angstaanjagende verhalen terug, waardoor het Joodse volk denkt: ‘Bekijk het maar met je Beloofde Land’. Daarna besluit de Eeuwige dat de generatie die uit Egypte is getrokken het Land van Belofte niet zal binnengaan; het zal veertig jaar dwalen door de wildernis.
Joseefs wildernis
De wildernis ervaart Joseef op verschillende manier. De eerste keer als hij in een ‘bor’, een put wordt gegooid door zijn broers. De put is leeg, er is geen voedsel, geen water, de angst voor de dood moet er groot zijn. Als hij door de vrouw van Potifar wordt beschuldigd van een poging tot verkrachting, komt hij in de gevangenis terecht, die in de tekst ook wordt aangeduid als ‘bor’. Het woord is niet alleen (water)put, maar heeft ook de bijkomende betekenissen van ‘plek van vernietiging’, ‘hel’, plaats van moreel gevaar, van gebrek aan kennis, van gebrek aan wijsheid.
Twee jaar
Niemand weet hoe lang Joseef in dienst was van Potifar en hoe lang hij in de gevangenis zat. Toen hij als slaaf werd verkocht was hij zeventien jaar, toen hij onderkoning werd was hij dertig. Wat we wel weten is dat de laatste twee jaren van zijn gevangenscap te wijten waren aan de schenker. Over hem voorspelde Joseef dat hij zijn functie en status aan het hof terug zou krijgen, maar de schenker vergat dat te vertellen aan zijn omgevind, zodat Joseef twee jaar extra in de ondergrondse plek van uiterste ellende moest blijven. De associatie die onmiddellijk opkomt is de ellende waarin velen van de gegijzelden de laatste twee jaar moesten doorbrengen. Bijna altijd in een ondergrondse tunnel, een ‘bor’, waar hun leven elk moment kon worden vernietigd.
Eli Sharabi
Er is een artikel over een van hen: Eli Sharabi. https://aish.com/hostage-eli-sharabi-and-the-essence-of-judaism/ (Collega en vriend rabbijn Gedaliah Gurfein stuurde het mij door). Net als Joseef hielp Sharabi zijn mede-gegijzelden. Het is ongelooflijk dat hij daartoe in staat was, en hoe hij er vorm aan gaf. Hij inspireerde zijn medegevangenen om elke dag iets ‘moois uit hun leven’ te vertellen. Iets waar ze dankbaar voor waren in de situatie waarin ze zich bevonden. Zijn mantram (ook zo’n boeddhistische term) was: ‘Er is altijd een keuze’. De joodse mantram? ‘Kies het leven’. Zegt niet zomaar iemand, maar zegt de Eeuwige in Dewariem/Deuternomium 30:19. „Hemel en aarde zijn mijn getuigen dat Ik u vandaag de keuze heb gegeven tussen leven en dood, zegen en vloek. Kies het leven, opdat u en uw kinderen mogen leven.” Tegenover de dodencultus van de Egyptenaren en de jihadisten van allerlei aard, zet het Jodendom de cultus van het leven. Met Chanoeka steken we een licht aan, veel licht in veel duisternis: Er is altijd een keuze.