Sjemot / Exodus 30:11 – 34:35
Haftara / Profetenstuk / stuk uit andere Tenachboeken:
Jechezkeel/Ezechiël 36:16 –36 (Reform) of I Koningen 18:1-39 (Asjkenaziem) ofI Koningen 18:20-39 (Sefardiem)
Onzekerheid
Mosjé is verdwenen. De berg Sinaï op. Geen mens weet wat hij daar uitspookt. En het volk aan de voet van de berg al helemaal niet. Geen mens weet of hij nog terugkomt, en zo ja, wanneer. En het volk aan de voet van de berg al helemaal niet. Het volk wil zekerheid. Niet zo vreemd, toch?! Na alle plagen heeft het kunnen vluchten uit Mitsrajiem, het Land van Benauwenis. Het is door de Jam Soef getrokken, met watermuren aan beide zijden. Ondertussen zag het het Egyptische leger naderen. Wist het volk veel dat het leger zou verdrinken in diezelfde Jam Soef?! Alles is eng, voor dat volk onder aan de Sinaï. Wat de toekomst mag brengen – joost zal het weten, de ‘jood’ die daar staat, weet niks.
Goud
Net als nu (en in alle tijden van onzekerheid) moet goud de angsten voor de toekomst wegnemen. Aharon vraagt iedereen de gouden ringen uit de oren te halen (hoe hebben ze die als slaven zo snel weten te verwerven?) en ze hem te geven. Hij gooit het goud in het vuur, zonder enig idee te hebben wat ermee gaat gebeuren. Er ontstaat een gouden kalf.
Egyptische goden
Oh jeh… de Egyptische godin Hathor heeft soms de gestalte van een koe; Isis,ook een godin, heeft soms koeienhoorns als hoofdtooi, Apis was een heilige koe en was de belichaming van de god Ptah, of ook wel Osiris. (Deze informatie geeft chatgpt). Dus help… Aharon maakt iets dat verdacht veel op een Egyptische godheid lijkt, sterker nog, die voor een ‘god’ kan worden gehouden. En door het volk onderaan de berg Sinaï ook wordt gehouden.
Zwak verweer
Tegenover Mosjé, die woedend is als hij na veertig dagen en nachten van het onderhoud met Y-H-W-H terugkomt, zegt Aharon ter verdediging, dat hij het niet kon helpen dat er een kalf-afgod kwam uit het vuur dat hij stookte. Maar het lijkt mij een zwak verweer, want hij maakt wel degelijk een altaar. En op dat altaar worden offers gebracht. Door de Bné Jisraël, de nakomelingen van Ja’akov, en door iedereen die met hen is meegetrokken uit Egypte.
In zijn woede gooit Mosjé de eerste set Stenen Tafelen kapot. Later gaat hij nog weer veertig dagen en nachten de berg op, waar de Eeuwige opnieuw twee Stenen Tafelen ‘beschrijft’, met daarop de goddelijke voorschriften voor Am Jisraël – het volk Israël.
Reputatieschade
Wat het joodse volk heeft behoed voor totalitaristische tendenzen, die er bij alle leiders zijn, en die er bij alle godsdiensten zijn, is de moed en de slimheid van Mosjé. Als de Eeuwige laat weten dat hij de Bné Jisraël gaat uitroeien omdat hij het volk helemaal zat is, gebruikt Mosjé de ijdelheid van Y-H-W-H om de Eeuwige daarvan af te brengen. Zijn argument: Reputatie-schade! Doe het niet, doe het niet, want de Egyptenaren „gaan zeggen: met kwade opzet heeft Hij hen uitgeleid, om hen te vermoorden in de bergen, om een eind aan hen te maken (…).” (Sjemot/Exodus 32:12). Briljant! Je moet er maar op komen dat de Eeuwige, die geen enkele vorm heeft en dus niet in ‘Zijn lichaam’ / in ”Zijn vorm’ kan worden beschadigd, wel een naam heeft, en dat die naam bezoedeld, bespot, door het slijk gehaald kan worden. Sinds die tijd weten we dat de Eeuwige voor rede vatbaar is. En dat wij dus ook voor rede vatbaar kunnen en mogen zijn. Mosjé heeft voor ons geestelijke en relationele vrijheid mogelijk gemaakt.
Wel dood als straf
De Eeuwige kalmeert en het volk blijft vernietiging bespaart. Althans, voor nu, en niet voor de hele gemeenschap, want de Levieten krijgen wel degelijk de opdracht om degenen die rond het gouden kalf hebben gedanst om zeep te helpen. Drieduizend personen. Niet niks.
Wat mij van alles wat er nog meer in deze sidra aan de orde komt, spreekt mij op dit moment (!) het meest de verdrijving van de Kenaänieten, de Amorieten, de Chitieten, de Prizieten, de Chiwieten en de Jaboesieten aan. (Sjemot 33:2). De Eeuwige doet het Zelf, nadat Y-H-W-H eerst een engel heeft gestuurd om voor het volk uit te gaan.
Niet meer in ons midden
Hij zegt tegen Mosjé dat Hij dit gaat doen, en zegt er tegelijkertijd bij dat Hij niet meer temidden van ons zal zijn, want… „jullie zijn een koppig volk”. We hebben een stijve nek. Door een stijve nek kun je niet het hele gezichtsveld overzien, kortom de nuance in het denken valt weg. Maar ik zie die ‘stijve nek’ ook nog een beetje anders. Als je bang bent, krimp je in elkaar, en je verstijft je nek daarbij. Het joodse volk is een angstig volk, een volk dat reden heeft regelmatig ‘in elkaar te krimpen’ en dan ‘de nekspieren te verstijven.’ Voor zo’n angstig volk is het moeilijk om te vertrouwen; ook om te vertrouwen op een God die alleen aan Mosjé Zijn „achterkant” laat zien (Sjemot 33: 23). Niet zijn „voorkant”, want wie die ziet, sterft.
Hand van bescherming
Voordat de Eeuwige aan Mosjé voorbij trekt, zodat die hem kan ‘zien’, beschermt Y-H-W-H Mosjé met Zijn ‘hand’. Die hand van God is een van de beelden die mij het meest raakt, meer dan Zijn stem. Wij worden allen beschermt door Gods hand. Dat te weten, hebben we wel nodig. Zeker nu.