Sjemot / Exodus 18:1-20-23
Haftara: Jesjajahoe / Jesaja 6:1-13
Rechtspreken
Jitro, de schoonvader van Mosjé, is me zeer dierbaar. Hij maakt het mogelijk dat er recht wordt gesproken voor zoveel mogelijk mensen in zoveel mogelijk conflicten. Dat doet hij door een reorganisatie van de rechtspraak voor te stellen: een trapsgewijs systeem. Zo zal Mosjé niet overbelast en uitgewoond raken. Een voorstel dat wordt aangenomen.
Positief gebod
Jitro is me zo dierbaar, omdat hij vlees en botten geeft aan de enige van de zeven Noachitische wetten waaraan de hele mensheid zich moet houden. Zes van de zeven zijn verboden: geen afgoderij, de Eeuwige niet vervloeken, niet moorden, geen ontucht bedrijven, niet (mensen) stelen (kidnappen/gijzelen), geen vlees eten van een levend dier. De zevende: het instellen van rechtvaardige rechtbanken.
Tien Geboden
In hoofdstuk 20 worden de tien basiswetten genoemd, waaraan het joodse volk zich moet houden. Beter bekend als ‘De Tien Geboden’, of sinds de laatste eeuw ook als ‘De Tien Woorden’ of ‘De Tien Uitspraken’. Het Tiende Gebod zie ik als cruciaal. „Niet begeren zul je het huis van je naaste, niet begeren zul je de vrouw van je naaste, zijn dienaar, zijn dienstmaagd, zijn os, zijn ezel, ja, al wat van je naaste is!”
Mimesis
De Franse paleograaf en historicus René Girard (1923 – 2015) ontwikkelde een theorie over agressie. Zijn basisinzicht was dat begeerte niet uit zichzelf opwelt in het menselijk hart, maar afhankelijk is van wat men anderen ziet begeren. Wat de ander heeft, dát wil men ook hebben. De vrouw van de beste vriend hoeft geen Marilyn Monroe te zijn of een Brigitte Bardot. Ze kan en middelmatige schoonheid zijn, niet bijzonder leuk of aardig, geen groot licht. Dat de beste vriend haar begeert, maakt dat de vriend ook háár wil bezitten, met soms alle gevolgen van dien. Hetzelfde kan worden verteld over mannen. Het verhaal over Ja’akov die het eerstegeboorterecht van zijn tweelingbroer Esav steelt, is een illustratie daarvan. Deze begeerte heeft Ja’akov heel veel ellende bezorgd. Het is een patroon: alles wat men bij anderen ziet: huis, geld, auto, sneakers, kunst, succes, kleding enz. doet de vlam van de begeerte oplaaien. Het begrip voor deze begeerte die wordt gevoed door wat men bij anderen ziet aan begeerte, noemt Girard mimesis.
Slachtoffers
Dat geeft zoveel spanning in een groep die samenleeft – want niet van alles is er voor iedereen evenveel, Monroe en Bardot zijn eenmalig, en zo is het met veel – dat de agressie die zo ontstaat in de groep uiteindelijk wordt losgelaten op iemand uit de groep, het slachtoffer. Is die dood of kalt gestellt, dan is de harmonie in de groep hersteld en kan de groep verder. De mimesis is het ene deel van Girards theorie, de agressie-afvoer via het slachtoffer is het tweede deel.
Dit alles is natuurlijk erg kort door de bocht door mij weergegeven.
Cruciaal gebod
Het Tiende Gebod heeft de waarheid die Girard duizenden jaren later ontdekte, al vastgelegd. De Negen Geboden die eraan voorafgaan, proberen de ontwrichtende gevolgen van mimesis te beperken of te voorkomen. Waarom moordt iemand? Omdat hij iets wil hebben of gedaan wil hebben of gefrustreerd is dat hij/zij het niet krijgt. Waarom legt iemand een valse getuigenis af? Om dezelfde soort redenen. Waarom kidnapt iemand mensen? Ook om te hebben of te krijgen – geld, macht, sadistisch plezier etc. – wat hij/zij niet heeft, en begeert omdat de ander dat kennelijk wel heeft.
Geen andere God
Zelfs de eerste Twee Geboden, zie ik in ditzelfde licht. Andere volkeren aanbidden andere goden…. ‘Dat god is heel erg aantrekkelijk. Die god wil ik ook aanbidden’. Net doen, zeggen het Eerste en Tweede Gebod, en het Tiende zegt: ‘kijk naar de begeerte,; waar die vandaan komt; laat je niet door die begeerte leiden.’
Dankbaarheid
Ook dit is heel kort door de bocht gesteld. Toch geloof ik dat die tien fundamentele voorschriften allemaal naar een eveneens fundamentele behoefte van de mens verwijzen: te hebben of te zijn wat men niet heeft en niet is. Een fundamentele behoefte die door religies wordt bestreden, als ik het goed zie, door alsmaar te benadrukken dat wat men heeft en wat men is, genoeg is (hoe schamel soms ook), en dat men daar dankbaar voor moet zijn.